Welkom op de website van de
Residentiële Voorziening JEZ11

Homepagina - VOT
test

Ons Tehuis

Den Akker

Harmonie

DIVAM

JEZ11

Begeleidings-
tehuis

Dagcentrum

Thuisbegelei-
dingsdienst

Alternatieve
Maatregelen

Residentiële voorziening
cat. 1bis

test
Praktische info

Historiek

Organigram

Jaarverslag

Erkenning - Doelgroep

Werking

Contact

Interessante links


Werking

1. Een eigen leefklimaat
2.
Een gespecialiseerd aanbod
3.
Diagnostiek en individuele gesprekstherapie

1. Een eigen leefklimaat

‘JEZ11' bevindt zich op het mooie domein van 6 hectare van de Vereniging Ons Tehuis voor Zuid – West - Vlaanderen. De unit is gesitueerd in een apart huis, waarin maximaal 10 meisjes kunnen verblijven. Een aantal investeringen accentueren het besloten karakter van het centrum.

‘JEZ11’ steunt vanzelfsprekend op de werkingsprincipes van de leefgroepen van de residentiële voorziening Ons Tehuis. Zo wordt er net als in de andere leefgroepen veel belang gehecht aan een gezellig leefklimaat. Het realiseren van een aangename sfeer geschiedt niet enkel door de leefruimten zo gezellig mogelijk in te richten, maar vooral door voortdurend aandacht te hebben voor het creëren van een goede groepssfeer. Samenleven in groep is immers niet altijd even gemakkelijk, doch wordt er samen met de meisjes hiertoe voortdurend naar gestreefd. Eén van de middelen hiertoe is de bewonersvergadering.

Bovenal wordt een respectvolle omgang en aanvaarding van ieder individu zeer belangrijk gevonden, en worden de meisjes hiertoe waarden en normen bijgebracht. Aldus wordt een eigen leefklimaat gecreëerd in de leefgroep.

2. Een gespecialiseerd aanbod

Niettegenstaande een aantal gemeenschappelijke werkingsprincipes met de andere leefgroepen, heeft JEZ11 echter ook een aantal definiërende kenmerken die JEZ11 duidelijk onderscheidt van de andere leefgroepen.

2.1. Een sterk gestructureerde werking en activering

2.1.1 Een sterk gestructureerde werking

Bij plaatsing in JEZ11 starten de meisje in fase 1. Het basisklimaat van de leefgroep wordt hier duidelijk neergezet. JEZ11 kenmerkt zich door een besloten karakter. De meisjes worden in eerste instantie opgevangen in een zeer strikte gestructureerde residentiële setting met constante toezicht en controle. Er wordt een kader aan de meisjes aangeboden waarvan men niet wijkt.

Structuur leidt tot zekerheid, houvast en voorspelbaarheid. Daar heel wat jongeren in de Bijzondere Jeugdzorg, tengevolge van de problematische opvoedingssituatie waarin ze verkeren, innerlijk onrustig en onzeker zijn, kan het bieden van uitwendige zekerheid, houvast en voorspelbaarheid leiden tot een zekere vorm van rust.

In JEZ11 betekent een strikte structuur aan de ene kant:

1. Een strikte dagelijkse routine die consequent wordt nageleefd

Het klimaat in een leefgroep wordt ook wel het leven van alledag genoemd. Binnen JEZ11 hanteren we het begrip ‘dagelijkse routine’ om het leven van alledag zichtbaar te maken en zodanig vorm te geven dat competentievergroting mogelijk wordt. In eerste instantie wordt de regie van het dagelijks leven van de meisjes volledig overgenomen. Om te benadrukken hoe belangrijk we binnen JEZ11 deze dagelijkse routine vinden, werd ter ondersteuning ‘een draaiboek voor het dagelijkse leven in JEZ11’ uitgewerkt. De regelmatig terugkerende onderdelen in het leven van alledag bepalen met welke taken en leermomenten de meisjes worden geconfronteerd. Via deze dagelijkse routine wordt er bij de meisjes gedrag opgeroepen. Bijgevolg leren de meisjes vaardigheden en gedrag die te maken hebben met dagelijkse routine. Bij het uitwerken van de dagelijkse routine, met name het draaiboek, wordt er vooraf concreet omschreven wat van de meisjes wordt verwacht. Dergelijk concreet gedrag kan dan ook op een objectieve en neutrale wijze gemeten worden. In het draaiboek wordt er voor elke dag, volgens tijdstip en trefwoord omschreven welke taken de meisjes en begeleiders dienen uit te voeren. Eveneens wordt er verduidelijkt welke bijhorende vaardigheden hieraan gelinkt zijn.

De dagelijkse routine is niet alleen een praktisch begrip bij de planning en uitvoering van de hulpverlening, het biedt eveneens een aantal mogelijkheden zoals:

  • bijdragen tot een overzichtelijk en leefbaar klimaat;
  • observeren van de competenties van de meisjes;
  • interveniëren;
  • aanknopingspunten bij het evalueren en verbeteren van de hulpverlening binnen JEZ11.

2. Duidelijke grenzen en regels en een duidelijke opvolging van deze grenzen en regels

Overal waar er mensen met elkaar omgaan, gelden er geschreven en ongeschreven regels. Ook in JEZ11 hechten we heel veel belang aan regels. Deze regels zijn niet enkel voor structuur bedoeld maar eveneens:

  • bevorderen ze de veiligheid;
  • zijn ze gericht de belangen van allen te waarborgen;
  • bevorderen ze de overzichtelijkheid van de dagelijkse routine;
  • bevorderen ze een adequaat functioneren in de maatschappij;
  • ondersteunen ze de uitvoering van de begeleiding;
  • en bevorderen ze een prettige sfeer.

In JEZ11 dienen te meisjes te leren functioneren in een dagelijkse routine waarbij het naleven van regels en afspraken centraal staan. De meisjes dienen het gezag en de autoriteit van de opvoedingsfiguren te accepteren. Respect, gehoorzaamheid en beleefdheid zijn belangrijke pijlers binnen JEZ11.

3. Duidelijke gevolgen bij ongewenst gedrag

In JEZ11 vinden we consequent handelen uitermate belangrijk. De meisjes worden direct geconfronteerd met ongewenst gedrag waar consequenties aan zijn verbonden. Tegelijkertijd wordt duidelijk aangegeven wat wel van de meisjes wordt verwacht. De meisjes worden de consequenties van hun keuzes voorgehouden waardoor ze de juiste keuzes leren te maken en positieve ervaringen op te doen. Via confrontatie van hun gedrag leren de meisjes om te gaan met dagelijkse routine, regels en grenzen en kan er worden gestreefd naar gedragsverandering.

Aan de andere kant houdt een strikte structuur binnen JEZ11 in:

1. Duidelijk groeibevorderende handelingen

Jongeren ontwikkelen zich het best als er sprake is van een duidelijk positief klimaat dat voldoende stimulering biedt. Opvoeden houdt niet alleen steunen en sturen in maar eveneens stimuleren. Het is dan ook van belang, binnen de beperkingen van de leefgroep, een omgeving te creëren met zoveel mogelijk leerkansen. Zinvolle groepsactiviteiten (vb. sociale vaardigheidstraining, …) en vrijetijdsactiviteiten (sportactiviteiten, …) zijn binnen de dagelijkse routine een belangrijk element. Deze activiteiten dienen de meisjes verplicht te volgen. Bedoeling van dergelijke activiteiten is om sfeer in de groep te brengen, een aantal sociale vaardigheden aan te leren en de meisjes aan te zetten tot een nuttige individuele vrijetijdsbesteding in een later stadium.

Naarmate het verblijf in JEZ11 toeneemt laten we geleidelijk aan meer ontwikkelingstaken tijdens de dagelijkse routine aan de orde komen. Hoe rijker de dagelijkse routine, hoe meer mogelijkheden er zijn om observaties met betrekking tot het competentieniveau van de meisjes te doen. De fasering biedt de mogelijkheid om overzicht te bewaren. Voor alle meisjes in een bepaalde fase geldt immers dezelfde dagelijkse routine en tegelijkertijd toekomen aan de noodzakelijke verrijking naarmate de hulpverlening vordert. Indien de meisjes blijk geven van een gebrek aan vaardigheden of inadequaat gedrag vertonen, zullen de begeleiders van JEZ11 dit direct als leermoment herkennen en snel met een interventie komen. Daarbij wordt gebruik gemaakt van allerlei technieken om vaardigheden aan te leren en inadequaat gedrag te verminderen, zoals feedback.

2. Duidelijke gevolgen bij gewenst gedrag

Goed gedrag wordt voorzien van positieve feedback. Binnen JEZ11 staat competentievergroting centraal. Competentievergroting is erop gericht dat de meisjes hun gedrag leren te veranderen. Bijgevolg dienen te meisjes te weten hoe hun gedrag eruit ziet en welke reacties hun gedrag oproept. Begeleiders zullen de meisjes daarom constant voorzien van feedback.

Binnen JEZ11 werd een feedbacksysteem ter ondersteuning van de gebruikelijke feedback voorzien. Het feedbacksysteem binnen JEZ11 bestaat uit een scoringssysteem. Dit gebeurt zowel dagelijks als wekelijks zowel op concrete vaardigheden als attitudes. Binnen dit scoringssysteem bestaat de extra feedback die de meisjes krijgen uit 2 elementen:

  • een score:
    - vaardigheden 1 t.e.m. 3
    - attitudes: 1 t.e.m. 4
  • een omschrijving van sterke punten en leerpunten

Een dergelijk scoringssyteem biedt voor de meisjes veel duidelijkheid en bovendien geeft het hen het gevoel dat ze zelf invloed kunnen uitoefenen op de duur van het verblijf in een bepaalde fase.

2.1.2 Activering

Structurering kan enkel wanneer dit gecombineerd wordt met een sterke activering. Verveling is uit den boze. Er wordt gewerkt met een strikte dagindeling en een vast weekschema. Daarin zit een groot activiteitenaanbod vanuit het begeleidend team vervat, maar ook onderwijs, vorming, het opnemen van huishoudelijke taken,… Naargelang de fase waarin de meisjes zich bevinden kunnen zij een deel van de planning in overleg met en na toestemming begeleiding zelfstandig invullen (individuele vrijetijdsbesteding, externe sociale contacten, eigen hobby in de leefgroep,…).

2.2 Een gefaseerde werking

JEZ11 kan omschreven worden als een trajectmatig begeleidingsaanbod van minimum zes maanden. Kenmerkend aan trajecten is naast het planmatig werken, de stapsgewijze probleemoplossing door fasering. De fasering die binnen JEZ11 wordt gehanteerd is een fasering in leefgroep. Dit wil zeggen dat een meisje binnen de leefgroep van JEZ11 verschillende stappen zal doorlopen die elk een onderscheiden fase van de begeleiding markeert. Dit kan men zien als een vorm van temporele fasering. De samenstelling en werkwijzen van de fasen zijn m.a.w. zodanig opgezet dat de meisjes achtereenvolgens van fase naar fase doorstromen zodanig dat deze overplaatsingen automatisch plaatsvinden wanneer de meisjes bepaalde (ontwikkelings)taken met succes heeft doorlopen en toe is aan taken die in een volgende fase centraal staan. Bij het uitwerken van de fasering van JEZ11 staan de begrippen ontwikkeling, taken en vaardigheden centraal. De bijhorende methodiek in de fasering van JEZ11 is het sociaal competentiemodel.

Gefaseerd werken houdt in dat we er van uitgaan dat de meisjes niet alles tegelijk kunnen leren. De beoogde competentievergroting wordt dan ook opgedeeld in fasen. De fasering kent een opbouw van meer elementaire vaardigheden naar meer complexe vaardigheden. Het uitgewerkte feedbacksysteem van JEZ11, n.l. het scoringssysteem hangt samen met deze fasering.

Gefaseerd werken biedt bovendien een aantal duidelijke voordelen:

  • Stapsgewijze probleemoplossing. Er ontstaat een indeling van gedragingen waarop feedback gegeven moet worden;
  • Stapsgewijze introductie vrijheden en verantwoordelijkheden;
  • Steeds minder externe sturing, steeds meer zelfsturing;
  • Houvast en duidelijkheid voor alle betrokkenen;
  • Meisjes verdienen zelf hun vooruitgang (promotie)

Het faseringsmodel van JEZ11 omvat vier fasen. Tijdens het verblijf in JEZ11 doorloopt elke meisje idealiter 4 fasen waarbij ze door goed gedrag (o.a. naleven van regels en afspraken, opvolgen van dagstructuur, kamerverzorging, persoonlijke hygiëne, uitvoeren van huishoudelijke taken, omgaan met medicatie,…), het behalen van een aantal duidelijk omschreven doelstellingen (o.a. contacten leggen en onderhouden, plannen en organiseren, afspraken maken en er zich aan houden, grenzen aangeven en accepteren, samenwerken, feedback geven en ontvangen, omgaan met teleurstellingen, impulsen beheersen,…) en het vervullen van verschillende opdrachten in het kader van individuele en groepsgerichte therapie, kan doorstromen naar een volgende fase waarin ze meer verantwoordelijkheid moet opnemen en van een aantal nieuwe privileges (bezoeken, inspraak met betrekking tot invulling dag- en vrijetijdsbesteding,…) kan genieten.

De opdeling in fasen heeft tot doel de zelfredzaamheid en de verantwoordelijkheidszin van jongeren stelselmatig te vergroten en hen voor te bereiden op een volgende stap. De fasering verloopt volgens gedragstherapeutische principes. We willen hen continu de mogelijkheid bieden om (kleine) succeservaringen op te doen en motiveren om aan de slag te gaan binnen hun eigen, individuele traject. Hierdoor ontstaat een positief, bekrachtigend, stimulerend klimaat.

2.2.1 Onthaalfase (min. 2 weken)

Tijdens deze eerste strikt, gestructureerde en gesloten fase blijven de meisjes in de leefgroep en doen alles onder begeleiding. Er is een strikte, verplichte dagindeling met vorming, educatieve momenten en geplande (sport)activiteiten.

In deze fase maken ze kennis met het personeel en met de andere jongeren die in het proeftuinproject verblijven. Ze krijgen uitleg over de dagelijkse routine en leren het programma kennen. Door het samen uitvoeren van taken e.d. leren worden praktische vaardigheden geobserveerd.

Het is de bedoeling om tijdens deze eerste periode de gezagsverhoudingen duidelijk te stellen en een basisveiligheid bij de jongere te bewerkstelligen. Er wordt gestreefd naar een basismotivatie bij de jongere: de meisjes houden zich aan de leefregels en de dagstructuur.

Tijdens deze eerste 2 weken gebeurt voor elke jongere een toekomstgerichte studie oriëntatie en keuze.

2.2.2 Observatiefase (min. 4 weken)

In deze periode wordt extra inhoudelijke informatie verzameld. Er wordt een werkrelatie opgebouwd met de jongere en wordt een duidelijker beeld geschetst van de mogelijkheden en het perspectief van de jongere en het systeem. Jongere en trajectbegeleider maken een verslag van hun gesprekken rond hun verwachtingen.

Net als de eerste fase is deze periode gesloten en erg gestructureerd. Alles gebeurt onder begeleiding: jongeren zijn nooit zonder begeleiding buiten de leefgroep. Er wordt toegewerkt naar extern onderwijs. Jongere kan deelnemen aan begeleide activiteiten buiten de leefgroep. Eenmaal per weekend is bezoek van familie mogelijk, op het domein en onder begeleiding.

2.2.3 Oefenfase (min.15 weken)

In deze fase wordt het gesloten karakter van de opvang geleidelijk afgebouwd. Op verschillende domeinen (bv. vrijetijdsbesteding, studieplanning, deelname aan groepsactiviteiten, school, boodschappen,…) worden subfasen ingebouwd zodat jongeren in staat zijn om, mits begeleiding, nieuw gedrag toe te passen en meer verantwoordelijkheid op te nemen voor zichzelf en anderen.

De jongere krijgt stelselmatig gecontroleerde vrijheden in functie van haar toekomstperspectief. Voor jongeren bij wie gewerkt wordt naar een terugkeer naar de context wordt de bezoekregeling systematisch uitgebreid van dagbezoek, weekendbezoek naar meerdaagse bezoeken thuis. Op termijn kunnen jongeren afwisselend een week thuis en een week in de leefgroep verblijven.

Per rubriek worden drie subfasen gehanteerd. In een eerste fase leert de jongere samen met de begeleiding heel wat aan. Kenmerk van deze fase is dat de jongere heel wat zaken samen met de begeleiding doet. In een tweede subfase verricht de jongere de vaardigheden die hij in fase 1 geleerd heeft alleen en er wordt systematische controle uitgeoefend door de trajectbegeleider of de andere teamleden. De begeleiding ondersteunt of stuurt bij indien de jongere nog moeilijkheden ondervindt of zich niet aan de gemaakte afspraken houdt. In de derde subfase is de jongere tegen het einde van deze fase de taken zelfstandiger uitvoert en bewijst dat ze kan volharden in het stipt en correct uitvoeren van taken en haar verantwoordelijkheid te allen tijde opneemt.

Jongeren die in een laatste fase met begeleiding alleen gaan wonen worden stapsgewijs voorbereid op praktische zelfstandigheid zoals koken, wassen, strijken, budgetbeheer, administratie en planning van het dagelijkse leven. Het accent ligt vooral op het aanleren, samendoen en aanbieden van praktische hulpmiddelen. Deze jongeren verblijven de laatste maand volledig in een studio binnen de leefgroep.

2.2.4 Ambulante fase (min. 4 weken)

De invulling van deze fase verschilt naargelang het perspectief van de jongere. Sommigen kunnen terugkeren naar de context, andere gaan met begeleiding alleen wonen en bepaalde jongeren stromen door naar een open voorziening, een begeleidingstehuis of andere hulpverleningsvormen.

a. Terugkeer naar de context / Gezinsbegeleiding

Jongeren die kunnen verblijven in deze fase bij de context. Er worden op regelmatige basis huisbezoeken afgelegd en er worden ook verplichte terugkomdagen voor jongere en context gepland.

b. Begeleid Zelfstandig Wonen (BZW)

BZW-begeleiding is voor onze jongeren nuttig en noodzakelijk teneinde de maatschappelijke integratie van deze jongeren een kans op slagen te geven. Niettegenstaande er binnen de leefgroep voldoende aandacht wordt besteed aan de zelfredzaamheid en de maatschappelijke integratie brengt de stap naar het zelfstandig wonen heel wat extra verantwoordelijkheden en problemen met zich mee. De BZW-begeleiding heeft tot doel deze overgang stapsgewijs en individueel te begeleiden en te ondersteunen. Zo wordt de kans op mislukken kleiner wat ten goede komt aan het zelfwaardegevoel van de jongere, en het zelfbeeld en vertrouwen in eigen kunnen van de jongere verhoogt. De BZW-begeleiding is bedoeld als ambulante werkvorm voor jongeren die na het verblijf in de proeftuin de stap kunnen zetten naar zelfstandig wonen en hierbij nog ondersteuning nodig hebben. BZW-begeleiding kan in principe vanaf 17 jaar. Jongeren verblijven dan op een eigen studio buiten de leefgroep. De BZW-begeleiding is heel intensief en sterk praktijkgericht. Toch dient tegelijk rekening gehouden te worden met de maximale duur van de begeleiding. Bij opstart van het traject wordt de link gelegd met een externe dienst voor Begeleid Zelfstandig Wonen of een andere dienst (CAW, JAC, OCMW) met het oog op verdere vervolghulp.

c. Jongeren die doorstromen naar een open voorziening

Jongeren die doorstromen naar andere vervolghulp worden voorbereid op een ‘open’ de leefregels van de verticaal gemengde leefgroepen van Ons Tehuis. Er wordt gericht toegewerkt naar een overstap door o.a. het plannen van intake, kennismaking met nieuwe voorziening,…

2.3 Het individueel traject

De hoofddoelstelling van het proeftuinproject is het uitwerken van een individueel hulpverleningstraject op maat van de jongere.

Aan elke jongere die in de leefgroep verblijft, willen we maximale kansen bieden om tot een gezonde ontwikkeling te komen. Dit vereist een individuele benadering waarbij ingespeeld wordt op concrete hulpvragen en moeilijkheden, naast het oog hebben voor en het inpikken op de sterke kanten bij de persoon in kwestie. Er wordt niet enkel gefocust op problemen, maar vooral gewerkt met de aanwezige vaardigheden en positieve persoonseigenschappen.

Zowel de 'positieve gedragsaspecten' als de 'werk- en aandachtspunten' op diverse terreinen (individueel; leefgroep; school of werk; gezin en ruimere context) worden opgenomen in een handelingsplan. Dit geeft weer waaraan, op welke wijze en binnen welke termijn gewerkt wordt in de concrete begeleiding van de jongere. Het handelingsplan wordt samen met de jongere en zijn betrokkenen (ouders, consulent) opgesteld, besproken en regelmatig bijgestuurd. M.b.t. specifieke hulpvragen kan aansluitend beroep gedaan worden op externe diensten (CLB; revalidatiecentrum; CGGZ; enz.) om de individuele hulp zo optimaal mogelijk te organiseren.

2.4 Contextbegeleiding

In de begeleiding van de ons toevertrouwde jongere hebben we zijn gezin/familie als partner nodig. We kunnen de jongere het beste helpen als zijn natuurlijk milieu betrokken is bij de begeleiding. In de eerste plaats is dit het gezin, maar kan ook de ruimere familiale context zijn, zoals grootouders, broers, zussen, ...

In de gezinsgerichte werking wensen we de ouders zoveel mogelijk te informeren over, en te betrekken bij de opvoedingsaanpak van de jongere. Ouders worden betrokken in belangrijke gebeurtenissen en beslissingen. Het is een hoofdbetrachting om te komen tot een verbetering van de aangemelde problematiek of tot een herstel van de onderlinge relaties. Opvoedingsondersteuning geschiedt via oudergesprekken, gezinsgesprekken, huisbezoeken. Indien vastgesteld wordt dat opnieuw samenleven niet meer tot de mogelijkheden behoort, wordt er toch naar gestreefd om een goed contact tussen de geplaatste jongere en het gezin te realiseren.

Het uitwerken van een contactregeling geschiedt op maat van de betrokkenen, en contacten worden gradueel opgebouwd om succeservaringen op te doen. Er is daarbij een diversiteit in de contacten mogelijk (telefoon; post; bezoek; thuisverblijf). Ook hier, zijn we niet eenzijdig probleemgeoriënteerd, maar hebben we ook oog voor de krachten, de positieve ontwikkelingen, de inzet en goede bedoelingen van betrokkenen. Belangrijk is om onze doelstellingen en verwachtingen t.a.v. het gezin zo expliciet en concreet mogelijk op te nemen in het handelingsplan, naast deze van het gezin zelf.

Elk meisje en haar gezin wordt begeleid door één vaste trajectbegeleider die vanuit een niet-veroordelende en respectvolle houding zoekt naar positieve aangrijpingspunten. Een vertrouwensrelatie vormt het begin van een goede samenwerking. De trajectbegeleider staat in voor de individuele begeleiding van een meisje en de bijhorende contextbegeleiding. Deze persoon vormt het vaste aanspreekpunt voor het meisje en haar context.

2.5 De intense samenwerking met externe diensten

Een opname gebeurt steeds in opdracht van een verwijzer of 'beslisser' m.n. de Jeugdrechtbank. Begeleiding behelst dan ook steeds een nauw overleg en samenwerking met deze instantie.

Voor sommige jongeren is het wenselijk dat we bij de begeleiding een beroep doen op personen die een specifieke professionele hulpverlening kunnen aanbieden, zoals bv. CLB, CAW, DGGZ, ... Cruciaal zijn dan goede afspraken i.v.m. taakverdeling en uitwisseling.

JEZ11 heeft een samenwerkingsakkoord met het Psychiatrisch Ziekenhuis Heilig Hart. Naast crisisopname is ook ambulante hulp in het kader van een psychiatrische problematiek daar mogelijk.

De betrokken politiediensten onderschreven eveneens een nauwe samenwerking met JEZ11.

3. Diagnostiek en individuele gesprekstherapie

Van bij de opname volgt de pedagogisch stafmedewerker het traject van de jongere op de voet. Afgestemd op de noden van de jongere krijgt de jongere een aanbod van therapeutische begeleiding op individueel en op groepsniveau.

3.1. Psychodiagnostiek

Tijdens de onthaalfase gaat de pedagogisch stafmedewerker de (psycho)diagnostiek op punt stellen. Er worden diagnostische tests afgenomen en de meisjes krijgen een aantal opdrachten.

Standaard worden de volgende testen afgenomen:
  • De SCL-90-R : peilt naar lichamelijke klachten bij het meisje
  • De UCL: bevraagt de manier waarop het meisje omgaat met stress, spanningen, problemen of onvoorziene omstandigheden
  • KIVPA : peilt naar de aanwezigheid van psychosociale problemen
  • NPV: persoonlijkheidsvragenlijst die bepaalde persoonlijkheidstrekken meet o.a. dominantie en zelfwaardering
  • YSR: gedragsvragenlijst
  • ADP IV: heeft de bedoeling om een aantal persoonlijkheidskenmerken of karaktertrekken te meten. Hiermee bedoelen we dat in deze vragenlijst een aantal manieren van denken, voelen en doen aan bod komen die kenmerkend voor een persoon kunnen zijn.
    Dergelijke karaktertrekken zijn sinds de jonge volwassenheid aanwezige en uiten zich in in tal van persoonlijke en sociale situaties.
    De ADP IV richt zich vooral naar moeilijk te veranderen persoonlijkheidskenmerken die problematisch kunnen zijn. Het gaat dus vaak om karaktertrekken die bronnen van stress, problemen, conflicten, ... kunnen zijn en die een aangepast of gelukkig functioneren als mens in de maatschappij belemmeren.
    De ADP IV wordt beschikbaar gesteld door de universiteit van Brussel, faculteit van de psychologie, o.l.v. Christiaan Schotte. De vragenlijst wordt ingevuld en vervolgens digitaal ingevoerd, waarna via de site een rapport kan worden gegenereerd.

 

Deze testbatterij laat toe een goed beeld te krijgen van aanwezige problematieken bij het meisje.

Daarnaast worden ook een aantal opdrachten gegeven:

  • Het uistchrijven van een levensverhaal, alsook het opstellen van een levenslijn. De levenslijn is een visueel sterk hulpmiddel om met de jongere te communiceren over belangrijke thema’s uit diens leven (verleden, toekomstplannen, belangrijke momenten, belangrijke personen,…)
  • Het opmaken van een genogram of stamboom. Via het genogram wordt de plaats van het meisje duidelijk binnen haar familie en gezin.
  • Het werken met ecogrammen of netwerkschema’s. Het netwerkschema heeft tot doel het huidig sociaal netwerk visueel in kaart te brengen. Daarna kan ingegaan worden op de steunfiguren en welke relaties dat de jongere wil aangaan en versterken.
  • ‘Mijn leven als dier’ wordt gebruikt om het meisje te stimuleren om te verwoorden wat ze wil veranderen in haar leven en welke toekomstplannen zij heeft.
  • Het opstellen van de balkmetafoor helpt het meisje haar sterktes en zwaktes in kaart brengen, alsook haar ondersteunende factoren. Dit wordt visueel voorgesteld met een balk, enerzijds belast en anderzijds ondersteund.

Via gesprekken beluistert de pedagogisch stafmedewerker ook het verhaal van het meisje en wordt samen met het meisje verkend welke gebeurtenissen, problemen of moeilijkheden tot de opname hebben geleid.

Indien nodig zijn ook een aantal extra specifieke vragenlijsten beschikbaar (depressie, angst, eetstoornissen,…). Bijkomende ondersteuning bij de diagnostiek kan verkregen worden via het psychiatrisch ziekenhuis ‘Heilig Hart’.

3.2. Individuele therapie

Binnen de context van de individuele gesprekken kunnen moeilijke ervaringen besproken worden. Dit kan helpen om vastgelopen emoties uit te spreken. Individuele therapie met de jongere omvat psycho-educatie, gedragmodificatie en behandeling van specifieke psychische problemen.

a. Psycho-educatie

In de groepssessies krijgen de jongeren veel informatie. Het is mogelijk om deze informatie in een individueel moment te herhalen of te verdiepen. Daarnaast kan in het kader van een specifieke problematiek extra informatie gegeven worden. Dit als voorwaarde om te komen tot een beter inzicht in de eigen problematiek.

b. Gedragmodificatie

Bij gedragsmodificatie willen we de jongeren bewustmaken van hun gedrag en het effect van hun gedrag. We willen hen sensibiliseren om hun vertrouwde mechanismen los te laten op zoek te gaan naar alternatieven. We werken hier volgens de principes van de cognitieve gedragstherapie.

Een veel gebruikte methodiek is het opstellen van de ‘5 G’s’. Jongeren moeten hierbij de link leggen tussen een gebeurtenis, hun gedachten, hun gevoelens, het gedrag, het gevolg van hun gedrag op korte termijn en het gevolg van hun gedrag op lange termijn. Op termijn moeten jongeren op zoek gaan naar alternatieve gedragingen en deze transfereren naar de buitenwereld.

c. Behandeling van specifieke psychische problemen.

In psychotherapie wordt er een vertrouwensrelatie opgebouwd met de jongere. Deze vertrouwensrelatie moet de jongere toelaten het verleden los te laten, een plaats te geven en de jongere terug op weg te zetten. De jongere brengt de thema’s aan en gaat samen met de pedagogisch stafmedewerker op zoek naar hoe zij zichzelf verder wil ontplooien.

3.3. Groepstherapie en trainingen

Een aantal groepstrainingen worden standaard gegeven binnen JEZ11.

Wekelijks krijgen de meisjes sociale vaardigheidstraining. Deze training leert de meisjes een aantal cruciale vaardigheden die nodig zijn in relaties met anderen.

Naast deze wekelijkse SOVA-training, krijgen de meisjes ook specifieke vormingen. Zo is er onder meer een vorming rond seksualiteit en drugs voorzien.