test
Sociale vaardigheidstraining
- Definitie
- Ontstaansgeschiedenis
- Wettelijk kader
- Doorverwijzingsprocedure
- Verloop
1. Definitie
Een sociale vaardigheidstraining is een leerproject met
als doelstelling het eigen probleeminzicht bij de jongere
te verhogen en/of een aantal sociale vaardigheden aan te
leren of bij te sturen. Een sociale vaardigheidstraining
valt te situeren onder de overkoepelende term
leerproject. Het is bijgevolg een ambulante
maatregel.
Een dergelijke maatregel is (ortho)pedagogisch van
aard en gericht op een verhoging van het eigen inzicht en
het gericht verhogen van de sociale competentie van de
jongere. Het doel is hier om verdere escalatie van de
problematiek en/of recidive te voorkomen.
Een centraal element in de sociale
vaardigheidstraining is het concept "empowerment".
Via dit concept sluiten we aan (en versterken we) de (potentiële)
krachten in de jongere en zijn omgeving. De nadruk ligt
dus met andere woorden op een positieve benadering en een
ervaringsgerichte aanpak.
Een sociale vaardigheidstraining houdt in dat een
jongere die een als misdrijf omschreven feit gepleegd
heeft en die minimum 12 jaar is, een training van 20 uren
volgt. In deze training worden vaardigheden aangeleerd,
zodat de jongere in de toekomst op een andere manier kan
reageren in moeilijke situaties. Welke vaardigheden
getraind worden, is afhankelijk van jongere tot jongere.
Themas die aan bod kunnen komen zijn o.a. leren
omgaan met gezag, op een constructieve manier kritiek
geven en krijgen, leren omgaan met agressie, zelfbeeld en
zelfvertrouwen,
Naast dit standaardaanbod van 20 uur, ontwikkelde
DIVAM ook een lange termijn sociale vaardigheidstraining
van 45 uur (SOVA XL). In deze SOVA XL worden ook
vaardigheden getraind, maar kan de begeleider nog meer
aandacht besteden aan transfer.
De sessies worden gegeven tijdens de vrije tijd van de
jongere en dit in wekelijkse sessies van anderhalf uur.
Het werken in de vrije tijd van de jongere is erg
belangrijk, omdat zo vermeden wordt dat het
schoolgebeuren problemen ondervindt. Wanneer jongeren al
kampen met een schoolproblematiek, kan een sociale
vaardigheidstraining niet gebruikt worden als excuus om
de school te verlaten.
De sessies worden hoofdzakelijk individueel gegeven,
waardoor we sterk op maat van iedere jongere kunnen
werken.

2. Ontstaansgeschiedenis
De ontstaansgeschiedenis van leerprojecten vinden we
terug in het buitenland, namelijk in de community-based
sanctions van de Verenigde Staten en Groot-Brittannië.
Vooral de Intermediate Treatment projecten ingeschreven
in de Children and Young Persons Act van 1969, vormden
een belangrijke inspiratiebron voor de ontwikkeling van
leerprojecten in Nederland begin de jaren 1980. Veel van
de momenteel aanwezige expertise in Vlaanderen is
afkomstig uit Nederland, zoals de projecten 'Slachtoffer
in Beeld' en 'sociale vaardigheidstrainingen'.
Het organiseren en begeleiden van leerprojecten is
sinds 1994 via het Globaal Plan in een stroomversnelling
geraakt. Het Globaal Plan maakt deel uit van de wet van
30 maart 1994 houdende sociale bepalingen, aangevuld door
de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse
bepalingen. Vier alternatieve gerechtelijke maatregelen
worden hierbij gepromoot waarvan drie in het kader van
het volwassen strafrecht en een voor minderjarigen,
namelijk de diversiemaatregelen (alternatieve maatregelen
ter vervanging van een beslissing door de jeugdrechter).
Dankzij het Globaal Plan kunnen gemeenten een
spilfunctie vervullen in de organisatie en begeleiding
van alternatieve sancties. Dit leidde dan ook tot het
indienen van projecten door organisaties van heel
uiteenlopende pluimage. Met de oproep tot het opstarten
van projecten alternatieve of herstelgerichte
afhandelingsvormen vanuit de Afdeling Bijzondere
Jeugdzorg van de Vlaamse Gemeenschap in 1999, is deze
expansie wat geluwd.

3. Wettelijk
kader
De sociale vaardigheidstraining vindt zijn wettelijk
kader in de hervormde wet op de jeugdbescherming,
namelijk: Wet betreffende de jeugdbescherming, het
ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf
omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de
door dit feit veroorzaakte schade (mei-juni 2006).
Specifiek bepaalt artikel 37§2 bis 5° van de nieuwe
jeugdwet deelname aan een opleidingsmodule of
module ter bewustwording van de gevolgen van de gestelde
handelingen, alsook de invloed daarvan op de eventuele
slachtoffers als voorwaarde tot het behoud van de jongere
in zijn/haar leefmilieu.

4. Doorverwijzingsprocedure
Een minderjarige pleegt een feit waarvan via de bevoegde
politiedienst een proces-verbaal wordt opgemaakt, dat
samen met het dossier van de minderjarige terecht komt
bij de Parketmagistraat bevoegd voor jeugdzaken. Deze
heeft dan verschillende mogelijkheden: seponeren,
herstelbemiddeling aanbieden of de Jeugdrechter vorderen.
Als de Jeugdrechter wordt gevorderd, zal deze de
Sociale Dienst voor Gerechtelijke Jeugdbijstand
inschakelen. De bedoeling is dat een consulent van de
Sociale Dienst een maatschappelijk onderzoek voert. Dit
is een onderzoek naar de achtergrond van de minderjarige
(thuissituatie, school, ...). In dit maatschappelijk
onderzoek doet de consulent aan de Jeugdrechter reeds een
voorstel van maatregel. Dit voorstel kan een plaatsing,
ondertoezichtstelling, ... , maar ook een constructieve
afhandeling zijn. Eens dit maatschappelijk onderzoek
afgerond is, wordt het opgestuurd naar de Jeugdrechter en
de Parketmagistraat.
De zaak van de jongere wordt op zitting geplaatst,
waarbij de Jeugdrechter een maatregel uitspreekt. Dit kan
het advies zijn dat de consulent heeft geformuleerd in
het maatschappelijk onderzoek, maar een Jeugdrechter kan
hier eventueel ook van afwijken.
Als de Jeugdrechter van oordeel is dat een
constructieve afhandeling gepast en praktisch haalbaar is,
wordt er een constructieve afhandeling opgelegd (vb.
sociale vaardigheidstraining). De Jeugdrechter
specificeert hoeveel uur de jongere SOVA moet volgen (20
of 45 uur). Een afschrift van de beslissing wordt naar
DIVAM opgezonden.

5. Verloop
Vanaf het moment dat DIVAM een vonnis ontvangt van de
Jeugdrechtbank waarin een sociale vaardigheidstraining is
uitgesproken, wordt er via brief een afspraak gemaakt met
de minderjarige en zijn ouders of wettelijk
verantwoordelijken voor een kennismakingsgesprek.
Op dit kennismakingsgesprek worden twee zaken
besproken. Ten eerste wordt er uitleg over de inhoud van
een sociale vaardigheidstraining gegeven met behulp van
de onthaalbrochure. Deze onthaalbrochure kan je hier
in pdf downloaden. Ten tweede worden er concrete uren en
data afgesproken waarop de training zal doorgaan. Deze
data en uren worden in een overeenkomst gegoten, die
ondertekend wordt door de jongere, de ouders en de
medewerker van DIVAM. Tevens worden er a.d.h.v. de
intakefiche relevante gegevens over de jongere verzameld.
De sociale vaardigheidstraining zelf splitst zich uit
in aantal fasen:
- informatiefase
- analysefase
- trainingsfase
- transferfase
- evaluatiefase
Informatiefase
Om te weten welke vaardigheden er bij de jongere al dan
niet aanwezig zijn, verzamelt de begeleider eerst
informatie over de jongere. Dit gebeurt met de volgende
technieken:
- Weekkaart:
Samen met de jongere wordt een week overlopen,
waarbij er een chronologische schets wordt
gemaakt van het dagelijks leven van de jongere.
Via de weekkaart wordt er systematisch informatie
verzameld over het gedrag van de jongere in
verschillende sociale situaties (school, thuis,
sportvereniging,...), maar ook over de sociale
vaardigheden van de jongere.
- Levenslijn:
Via de levenslijn wordt het toekomstbeeld van de
jongere nagegaan, nl. welk toekomstbeeld en
mogelijke plannen heeft de jongere voor de
toekomst? De trainer tekent op een bord een lijn
en geeft van links naar rechts een aantal
jaartallen aan (vb. 0, huidige leeftijd, 50 en 80
jaar). De trainer vult vervolgens deze lijn van
achter naar voor in, door aan de cliënt te
vragen hoe hij/zij denkt dat zijn leven er op
deze leeftijd uit zal zien. Zo van achter naar
voor werkend worden verre toekomstplannen omgezet
in wensen voor de meer nabije toekomst.
- Delictbespreking:
Een sociale vaardigheidstraining wordt altijd
opgelegd n.a.v. een misdrijf omschreven feit,
gepleegd door de jongere. Daarom is het delict
een belangrijke topic in de fase van de
informatieverzameling. Tijdens deze bespreking
wordt a.h.w. een 'draaiboek' opgesteld van het
delict/de delicten. Van minuut tot minuut wordt
er besproken wat er gebeurd is, waarbij er grote
aandacht gaat naar de situatie waarin de jongere
was (locatie, met wie,...), de reactie en de
gevolgen voor de verschillende partijen.
- Genogram:
Het genogram is eigenlijk de orthopedagogische
uitwerking van een stamboom. Hierbij komen
familiale relaties naar voor, waardoor ook
contextuele factoren, zowel positief als negatief,
kunnen verzameld worden.
- Kaartjes "lastig - niet lastig":
Bij jongeren waarbij het moeilijk valt om
vaardigheden vast te stellen, wordt er gewerkt
met een aantal kernwoorden, waarbij de jongere
zelf aangeeft in welke mate hij het er moeilijk
of gemakkelijk mee heeft.
Analysefase
Eens de fase van de informatieverzameling is afgelopen,
wordt deze informatie geanalyseerd in termen van taken en
vaardigheden. Een taak is te zien als een opgave waarvoor
een persoon komt te staan in zijn alledaags contact met
de samenleving (bv. een ruzie met iemand oplossen). Een
vaardigheid is specifiek gedrag die je in staat moet
stellen om een bepaalde taak tot een goed einde te
brengen (vb. praten om een ruzie op te lossen). Als er
bij de jongere een onevenwicht wordt vastgesteld tussen
de taken en de vaardigheden (vb. een jongere lost een
ruzie steeds op met vechten) kan dit een werkpunt vormen
tijdens de training (vb. jongere technieken aanleren om
ruzies op te lossen zonder te vechten). De analyse van de
taken en vaardigheden van de jongere wordt in een
trainingsplan gegoten, die de basis vormt voor het
verdere verloop van de training.
Trainingsfase
In deze fase worden de vaardigheidstekorten, zoals ze
omschreven staan in het trainingsplan, getraind. Via
onder andere gedragsoefeningen, cameratraining,
videofragmenten, ervaringsgerichte activiteiten, Rots en
Water, specifiek ontwikkeld materiaal,
worden de
nodige vaardigheden aan de jongere aangeleerd.
Transferfase
Tijdens de lange termijn sociale
vaardigheidstraining (SOVA XL) wordt er extra aandacht
besteed aan transfer. De transfergerichte begeleiding
bestaat uit de integratie van in de individuele training
aangeleerde vaardigheden in thuissituatie en context.
Gesprekken met ouders en jongere samen behoren tot de
mogelijkheden. Andere mogelijkheden zijn het zoeken van
hobby of werk, het motivationeel werken t.a.v. school/werk,
... Er wordt specifiek aandacht gegeven aan
ervaringsgerichte activiteiten.
Evaluatiefase
Na de laatste sessie wordt een afspraak gemaakt met de
jongere en zijn ouders waarin het verloop van de
maatregel besproken wordt. Zowel de jongere als zijn
ouders delen hun bevindingen mee, die vervolgens in een
eindverslag opgenomen worden.
Dit eindverslag wordt naar de jeugdrechter opgestuurd.
|